Catrien Bouman   Tz'oe
Home Ontaarden Het paleis Een sprookje Korte verhalen Auteur
           

Pleisters plakken

“Mensen praten vaak over een ander”, zegt een patiënt tegen mij. Het is een kleine man die er wat onverzorgd uitziet. Hij woont alleen en heeft weinig contact met zijn kinderen. Toen ik hem leerde kennen kwam hij wat verward over.
“Ja”, antwoord ik terwijl ik mij concentreer op het prikken van een infuusnaald in zijn arm.
“Mensen hebben ook vaak een oordeel over een ander”, zegt de patiënt weer.
“Hmm”, antwoord ik en sluit het infuussysteem aan op de naald.
“Voor zichzelf hebben ze vaak een excuus, maar voor een ander hebben ze minder begrip”, gaat de patiënt verder en ik fixeer het infuus met stukjes pleister. Inmiddels heeft hij mijn volle aandacht. Hij kijkt me aan met een vriendelijke gezicht. Ik weet niet goed hoe ik terug moet kijken. De man loenst, maar ik voel me ook onzeker. Ik vraag mij af of het een algemene opmerking is, of hij het over zijn eigen situatie heeft of dat het persoonlijk voor mij bedoeld is.

 Het is maandagochtend. Samen met mijn collega heb ik net de voetbalwedstrijden van onze kinderen besproken. Eigenlijk valt er altijd wel wat op aan te merken. Een speler die steeds onder de maat speelt, iemand die nooit overspeelt of een jongen die continu teveel praatjes heeft. Natuurlijk ben ik ook kritisch op mijn eigen kind. Maar wanneer zijn spel of gedrag tegenvalt ken ik zijn excuus: konijn overleden, een groeistuip, slaaptekort door jeukende muggenbulten etc. Vanmorgen gaf ik weer mijn  gevatte opmerkingen en een messcherp oordeel.

Maar ik ben écht niet de enige met een uitgesproken mening, verdedig ik mijzelf in gedachten. Ik denk aan afgelopen zaterdag. Kinderen hebben ‘hun spel weer terug’ dankzij de landelijke campagne. Desondanks mopperde een vader wel op de slechte pass die op zijn zoon gegeven werd. Ook weet ik zeker dat wanneer ik aan de overkant had gestaan de vader, van de jongen met de slechte pass, het loopvermogen van het inlopende kind veroordeelde. En op t.v., daar is het pas echt erg, denk ik verontwaardigd. Daar worden de voor –en nabeschouwingen zo opgerekt dat er over iedereen een mening wordt uitgesproken, waarbij het soms niet eens meer om het spel gaat.

 “Ik heb er ook wel eens iets van gezegd”, verstoort de patiënt mijn gedachten.
“Wat zei u dan?”, vraag ik.
“Jullie hebben het steeds over een ander, maar hebben jullie wel eens naar jezelf gekeken. Daar mankeert vast ook wel iets aan. Tenminste bij mij wel”, is het korte antwoord.
“Hoe werd daarop gereageerd?”,vraag ik nieuwsgierig.
“De één was het met me eens en de ander keek me niet aan.”
“Maar hoe moet het dan wel?” Ik blijf maar vragen. Want ja, mijn analyse is misschien gekleurd door het begrip voor mijn eigen kinderen, er zit een kern van waarheid in. Bovendien: één van die vaders heeft toch ook gelijk en dat mag gezegd worden.
“Oh, begrijp met niet verkeerd. Mensen mogen best wel iets over een ander zeggen. En een grapje moet men ook kunnen waarderen. Jawel. Maar er zijn grenzen. Je kunt ook wat meer begrip voor een ander tonen en op tijd je mond houden.”

Als ik niets meer te vragen heb zegt hij nog: “De waarheid ligt vaak in het midden.”
Het is maandagochtend en ik beloof niets, maar over vijf dagen sta ik vol begrip en een gesloten mond langs de lijn. Voor de zekerheid steek ik het rolletje met pleister in mijn zak.
(september 2008)

terug...